Personeelsfeestje

Op grond van artikel 6:170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is een werkgever aansprakelijk voor de schade die zijn werknemer door foutief handelen bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden aan een derde toebrengt. Onderstaand blijkt dat het niet altijd even duidelijk is wat onder het uitoefenen van zijn werkzaamheden moet worden verstaan.

De werknemers van een hoveniers- en timmerbedrijf hadden voor het jaarlijkse uitstapje dit keer de keuze laten vallen op een vermaakcentrum in het midden van Nederland. De middag werd op een sportieve manier ingevuld, de avond stond in het teken van drank en spijzen. Er was gekozen voor een barbecue in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte van het restaurant. De exploitant van het vermaakcentrum had zich erg ingespannen om de barbecueruimte er zo gezellig mogelijk uit te laten zien en had onder andere op alle tafels brandende olielampjes geplaatst. De avond verliep in een uiterst prettige sfeer. De feestvreugde liep zelfs zo hoog op dat twee werknemers na afloop van de barbecue lampenolie op de ogenschijnlijk reeds gedoofde barbecue goten. Het gevolg laat zich raden. Het restaurant en aangrenzende keuken brandden volledig af en de rest van het vermaakcentrum liep zware rook- en waterschade op. Uiteindelijk trachtte de verzekeraar van het vermaakcentrum de uitgekeerde schadevergoeding te verhalen op de werkgever van de twee onverlaten.

Omdat de verzekeraar en de werkgever er onderling niet uitkwamen, moest de rechter eraan te pas komen. Deze stelde allereerst vast dat de twee werknemers toerekenbaar onrechtmatig hadden gehandeld. Vervolgens ging hij ervan uit dat er sprake was van een gezagsrelatie tussen de werkgever en zijn werknemers, anders gezegd er bestond ondergeschiktheid. De volgende vraag die van belang was, was of er voldoende verband bestond tussen door de werkgever aan de werknemers opgedragen werkzaamheden en de onrechtmatige handelingen van de werknemers. Er moest sprake zijn van formele zeggenschap van de werkgever over het onrechtmatig handelen van zijn werknemers.

In de aanvang leek het erop alsof de rechter het zojuist bedoelde verband aanwezig achtte. Het ging om een feest dat georganiseerd en betaald was door de werkgever. Voorts kon hij zich zeer goed voorstellen dat het personeelsfeest o.a. bedoeld was om de saamhorigheid onderling en tussen ondergeschikten en management te verbeteren. Aan de andere kant vond het feestje niet plaats op de werkplek en evenmin in de gebruikelijke werktijd. Voorts was de aanwezigheid tijdens het feestje niet verplicht gesteld, zodat ook daadwerkelijk enkele personeelsleden zich hadden afgemeld. Tot slot werd geen gebruik gemaakt van door de werkgever ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen. Uiteindelijk kwam de rechter tot de uitspraak dat er onvoldoende verband was tussen de reguliere werkzaamheden van de werknemers en hun aanwezigheid op het personeelsfeestje. De vordering van de verzekeraar tegen de werkgever werd daarom afgewezen.