Transitievergoeding ná faillissement

Recentelijk heeft de kantonrechter Arnhem een opmerkelijke uitspraak gedaan omtrent opvolgend werkgeverschap en de transitievergoeding. Ook nádat (een deel van) de activiteiten en het personeel worden overgenomen na een faillissement, kunnen werknemers namelijk aanspraak maken op de transitievergoeding. De kantonrechter heeft besloten dat een opvolgende werkgever in dit geval ook alle dienstjaren van voor het faillissement meeneemt van de werknemers die worden overgenomen.[1]

De zaak waarbij de vraag of er tevens een transitievergoeding was verschuldigd over de dienstjaren die de werknemer bij de gefailleerde werkgever heeft gewerkt was als volgt. Een werkgever heeft een deel van de activiteiten uit een faillissement overgenomen en heeft daarbij een deel van de werknemers overgenomen. De werknemers hebben een tijdelijke arbeidsovereenkomst aangeboden gekregen van drie maanden, die vervolgens met één jaar is verlengd tot 10 september 2015. Vervolgens is aan de werknemers medegedeeld dat de arbeidsovereenkomsten niet nogmaals verlengd zouden worden. De werknemers hebben zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap en dat zij een arbeidsovereenkomst hadden voor onbepaalde tijd. Zij zijn van mening dat de dienstjaren van voor het faillissement mee overgaan op de verkrijgende partij. De werkgever daarentegen was van mening dat geen transitievergoeding was verschuldigd, nu de arbeidsovereenkomsten korter dan twee jaar hebben geduurd en er daarnaast bij een faillissement überhaupt geen transitievergoeding verschuldigd is. Ten aanzien van het opvolgend werkgeverschap stelde zij zich op het standpunt dat deze vraag naar oud recht beoordeeld moest worden, nu de laatste arbeidsovereenkomst tussen partijen voor 1 juli 2015 is aangegaan.

Ten aanzien van het opvolgend werkgeverschap heeft de kantonrechter geoordeeld dat de hoofdregel van de nieuwe wetgeving onmiddellijke werking heeft, waardoor deze ook geldt voor arbeidsovereenkomsten die vóór 1 juli 2015 gesloten zijn. Het overgangsrecht geldt derhalve ook niet ten aanzien van het opvolgend werkgeverschap. De kantonrechter verwijst hierbij tevens naar de memorie van toelichting bij de WWZ, waarin is aangegeven dat het nieuwe artikel 7:668a BW pas geldt indien op of na 1 juli 2014 een (opvolgende) arbeidsovereenkomst wordt gesloten uiterlijk zes maanden na de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst. Als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 juli 2014 nog niet de periode van 24 maanden heeft bereikt, maar dit wel tijdens de duur van deze arbeidsovereenkomst gebeurd, dan blijft het oude artikel 7:668a BW van toepassing. Dientengevolge is in casu volgens de kantonrechter het oude recht wel van toepassing en wordt er voor de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap gekeken naar het oude ‘zodanige banden’-criterium waarvan de kantonrechter van mening is dat daarvan sprake is.

De wettelijke bepalingen rondom de transitievergoeding zijn op 1 juli 2015 in werking getreden en hebben onmiddellijke werking. Volgens de kantonrechter houdt dit in dat ook de dienstjaren van vóór 1 juli 2015 meetellen om de hoogte van de transitievergoeding te bepalen. De kantonrechter stelt zich op het standpunt dat de wetgever niet de bedoeling heeft om een ‘knip’ aan te brengen in het opvolgend werkgeverschap voor en na een faillissement, waardoor alle gewerkte dienstjaren van voor het faillissement meetellen voor het vaststellen van de hoogte van de transitievergoeding.

Voorgaande uitspraak zal tot gevolg hebben dat een geïnteresseerde partij bij een faillissement terughoudend zal optreden bij het aanbieden van arbeidsovereenkomsten aan werknemers met een langdurig arbeidsverleden.

Wilt u meer weten over het recht op een transitievergoeding of heeft u een andere arbeidsrechtelijke- of sociale zekerheidsvraag, neem dan vrijblijvend contact op met dhr. mr. Hans van Buren op 073-5470306 of via info@vanburenarbeidsrecht.nl

[1] Ktr. Rb. Gelderland, 15 januari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:190.