Uitgelicht: de aanzegplicht van art. 7:668 BW

De aanzegplicht vloeit voort uit de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) en is in werking getreden per 1 januari 2015. Werkgevers zijn nu circa een jaar verplicht om de werknemer uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en bij voortzetting, onder welke voorwaarden deze wordt voortgezet. Indien de werkgever deze verplichting niet nakomt, is hij de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand of, indien de verplichting niet tijdig is nagekomen, een vergoeding naar rato.

Het afgelopen jaar zijn een aantal procedures gevoerd over de vraag of de werkgever een aanzegplicht had en zo ja, of de werkgever deze had geschonden. De gepubliceerde rechtspraak is in lijn met de wetsgeschiedenis en er valt een duidelijke lijn van de rechter uit af te leiden, namelijk dat het schriftelijkheidsvereiste een absolute eis is.

• Rb. Rotterdam (ktr.) 5 juni 2015 , ECLI:NL:RBROT:2015:3883
In casu werd door de werknemer ontkend dat zij de brief met de aanzegging heeft ontvangen. Wel stond vast dat mondeling aan werknemer was medegedeeld dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden. Ondanks dat werknemer de mondelinge aanzegging erkende, ging de kantonrechter hieraan voorbij, omdat de wet uitdrukkelijk voorschrijft dat de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden. Op de werkgever rust de bewijslast dat de werknemer de schriftelijke aanzegging heeft ontvangen.

In r.o. 4.5 verwijst de kantonrechter ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste naar de wetsgeschiedenis (MvA Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 79). Hieruit blijkt onder meer het volgende: “Om de positie van de werknemer te versterken, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. Zo wordt voorkomen dat een werkgever weliswaar aan een werknemer toezegt om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. Zonder deze aanzegplicht kan het ook voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. Dit, veelal uit angst dat een dergelijke mededeling ten koste zal gaan van de inzet van de desbetreffende werknemer. Met de introductie van de aanzegplicht in artikel 7:668 BW is dat financieel niet meer aantrekkelijk voor de werkgever, aangezien de werkgever bij niet naleving van de aanzegplicht aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato. Ten slotte merkt de regering op dat ook deze maatregel past in het streven de werkzekerheid van werknemers te bevorderen. Als zij op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, kunnen zij tijdig omzien naar een andere baan.”

• Rb. Amsterdam (ktr.) 10 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3968
In deze zaak werd aan werknemer via een whatsapp bericht een aantal opties voor ontslag voorgehouden, waar werknemer ook op heeft gereageerd.  De reeds per post verstuurde aanzegging werd door werknemer ontkend te zijn ontvangen. Uit het whatsapp bericht is voldoende gebleken dat werkgever het dienstverband niet wilde voortzetten en ook uit de reactie van werknemer bleek dat het bericht de werknemer had bereikt. Volgens de kantonrechter heeft de werkgever hiermee voldaan aan haar aanzegplicht.

• Rb. Rotterdam (ktr.) 23 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7559
Werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor 6 maanden. Na 2 maanden heeft werkgever aan werknemer bekend gemaakt dat hij de arbeidsovereenkomst niet wenst voort te zetten. De kantonrechter wijst erop dat het wetsartikel geen enkele ruimte biedt voor het betrachten van enige soepelheid met betrekking tot het wettelijk schriftelijkheidsvereiste. Hij merkt vervolgens op: “Op grond van het vorenstaande kan derhalve geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat werknemer wist dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd.”

• Rb. Groningen (ktr.) 5 november 2011, ECLI:NL:RBNNE:2015:5116
Werknemer heeft een tijdelijke arbeidsovereenkomst van 13 januari 2015 tot 13 juli 2015. Op 8 juni 2015 heeft werkgever per brief op de hoogte gesteld van het feit dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt per 13 juli 2015. Op 9 juni 2015 heeft tussen werkgever en werknemer een gesprek plaatsgevonden waarbij de brief van 8 juni 2015 wordt overhandigt. Werkgever stelt dat zij over schriftelijke bescheiden beschikt waaruit kan worden afgeleid dat werknemer deze brief tijdig heeft ontvangen. De kantonrechter oordeelt dat de bewijslast voor ontvangst van de aanzegbrief door werknemer op de werkgever rust. Hij verwijst hierbij naar de wetsgeschiedenis van art. 7:668 BW (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk II 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 36): “Ten aanzien van de bewijslast (verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen.” Als uitgangspunt voor de schriftelijke aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW heeft de ontvangsttheorie van artikel 3:37 lid 3 BW te gelden. Deze theorie impliceert dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring enkel werking heeft, wanneer vaststaat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. In deze zaak staat vast dat de onderhavige brief niet per aangetekende post is verzonden en dat deze brief niet “voor gezien” door de werknemer is ondertekend.

• Rb. Alkmaar (ktr.) 9 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:10570
Met bevestiging van de opzegging van werknemer wordt werkgever alsnog geacht te hebben voldaan aan aanzegverplichting. Werknemer had in casu een tijdelijke arbeidsovereenkomst tot 31 maart 2015, welke werkgever op 7 maart 2015 mondeling heeft opgezegd. Op 13 maart 2015 heeft de werkgever per e-mail bevestigd dat de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en daarbij heeft medegedeeld dat 30 maart 2015 de laatste werkdag zou zijn.

In r.o. 4.5 oordeelt de kantonrechter als volgt: “Vaststaat dat [de werkgever] niet tijdig aan de aanzegverplichting ex artikel 7:668 BW heeft voldaan doordat zij niet meer dan maand voor het verstrijken van de contractstermijn schriftelijk aan [de werknemer] kenbaar heeft gemaakt of, en zo ja, onder welke voorwaarden, [de werkgever] voornemens was tot verlenging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. De eventuele mondeling door [de werkgever] aan [de werknemer] hierover gedane mededelingen doen hieraan niet af, nu het voldoen aan de aanzegverplichting schriftelijk dient te gebeuren. Dit brengt mee dat de [de werkgever] op de voet van artikel 7:668, lid 1 een aanzegvergoeding verschuldigd is. Bij de begroting van de hoogte van de te betalen vergoeding is het volgende van belang.”

Ten aanzien van de bevestiging van de opzegging oordeelt de kantonrechter in r.o. 4.6:
“Nu [de werkgever] bij e-mail van 13 maart 2015 aan [de werknemer] per e-mail heeft bericht dat zij de opzegging van [de werknemer] bevestigt en dat 30 maart 2015 de laatste werkdag zal zijn, wordt [de werkgever] geacht op 13 maart 2015 alsnog aan de aanzegverplichting te hebben voldaan. Immers, geeft [de werkgever] op laatstgenoemde datum aan [de werknemer] uitsluitsel over de datum van de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op de voet van lid 3 van laatstgenoemd wetsartikel is [de werkgever] de aanzegvergoeding naar rato verschuldigd.”

Heeft u vragen rondom de aanzegplicht of heeft u een andere arbeidsrechtelijke- of sociale zekerheidsvraag, neem dan vrijblijvend contact op met dhr. mr. Hans van Buren op 073-5470306 of via info@vanburenarbeidsrecht.nl